Koken is marketing

Img_3586

“Wat is dat?” Charlie (5) staat op een klein stoeltje, voor het fornuis en loert mee naar wat haar moeder in de pannen gooit. Eerder heeft ze al dapper een courgette in blokjes staan snijden en nu is ze bij het spannende onderdeel van het koken zelf aangekomen: alles in de pan en roeren maar. Pure magie. Kleine, harde pasta’s zien uitgroeien tot zachte, een plas wit water in een pannenkoek zien veranderen en dan allemaal van die spannende potjes met extra ingrediënten. Top. Met glinsterende ogen houdt ze alle handelingen van haar moeder scherp in de gaten.

“Dat is een bouillonblokje”, zegt mijn vriendin en roert in de rode saus. “Wat is dat dan?” vraagt Charlie, nogmaals “Dat is om het wat extra smaak te geven”, meldt mijn vriendin. “En nu mag jij de courgette in de saus doen.”

Hoe cool is dat? Stralend pakt ze een hand vol courgette blokjes en laat ze in de pan vallen. Spetterend duiken ze in de rode saus.

Elisa pakt een fles rode wijn en schenkt er wat van in de rode saus. De vraag laat eigenlijk nog lang op zich wachten “Wat is dat?” “Rode wijn”, zegt Elisa en zet de fles weer weg. Charlie kijkt haar geschrokken aan. “Maar daar worden kinderen toch ziek van?” vraagt ze me groot opgezette ogen. “Nee”, antwoord mijn vriendin, “de alcohol verdampt, dus daar heb je geen last van: alleen de smaak blijft over.” Het gezicht van Charlie ontspant. “Oh”, zegt ze “het is dus ook voor de smaak?” “Ja”, zegt Elisa “het is eigenlijk een soort trucje”

“Oh, een trucje.”, zegt ze gerustgesteld, “Dus eigenlijk net zoals de Albert Heijn” vervolgt ze, denkend aan de muppet handpop die inmiddels ergens in een hoekje ligt te verstoffen.

Koken is eigenlijk een soort marketing. Dus.

Boekje, waar ben je dan?

Img_1135_2

“Boekje! Waar ben je dan?” We zitten aan tafel, we eten. Alleen dochter (2) had geen trek meer en loopt nu dus door de huiskamer en is op zoek naar een boekje. Zoals een ander kind een huisdier zou roepen, zo loopt zij door de kamer. Niet zo zeer zoekend, eigenlijk. Roepend. Boekje komt vanzelf wel naar haar toe…

“Booooeeekje!”

Ademloos wachten we op antwoord. Zou het boekje reageren? Met een benauwd stemmetje “Ja hieeeerrrr!!!” roepen? Puffend onder een stapel van andere boeken? Van die dikke, zware boeken, met van die gemene kleine letterjes…? Ik spits mijn oren.

Ik kijk naar mijn vriendin, om te zien of zij ook zit te luisteren. Luisteren is het niet echt. Het is meer vertederd kijken. Naar haar dochter die roepend langs de tafel slentert en naar de gang verdwijnt. Je weet immers maar nooit waar zo’n boek opeens opduikt. Dat het licht op de gang uit is en dat ze er dus niet veel boekjes zal zien, zijn onbenullige details.

“Boekje! Waar ben je dan?”

Ademloos luisteren we.


p.s. Na twee maanden durven we het eindelijk aan om officieel mee te delen dat de nachtnozem, nachtnozem af is. Ze slaapt door! Nou ja, meestal dan toch. ;-) We zijn nog op zoek naar een nieuwe nickname, maar boekiemonster gooit momenteel hoge ogen…

 

Boekiemonster in actie...

Verkeerde billen

Img_2371

“Kusje geven?” Ik heb Lou (2) net weten los te weken van haar moeder en loop nu de trap op om haar in bed te leggen. Tanden zijn gepoetst, billen gewassen en boekjes gelezen. De oudste drie liggen er al in en alleen de jongste moet nog worden afgehandeld. Nog even en we hebben het rijk alleen.

Maar we zijn er nog niet.

Het begint vaak met een rondje zoenen geven aan haar broer en zusjes. Of eigenlijk zoenen krijgen, want het enig dat ze doet is haar gezicht in de buurt van haar broer/zus houden, die daarop een zoen geeft. De oudste drie liggen met z’n allen op dezelfde kamer, dus ook voor hun is het de echte afsluiting van de dag. Oskar als laatste, via het trappetje van het stapelbed. Kusje geven.

Dan naar haar eigen kamer. Nog een laatste boekje. Als ik geluk heb een nieuwe, maar zoals bij veel kinderen houdt ook Lou van herhaling. Dus lees ik voor de zevende keer in een week van Barbapapa. Die eerst vanwege ruimtegebrek niet bij Michiel mag wonen en naar een dierentuin wordt gedeporteerd. Om vervolgens –als hij eenmaal als ontsnapte illegaal beroemd geworden is- alsnog met open armen door de ouders van Michiel wordt ontvangen. Go figure. Mijn versie is inmiddels heel anders dan die in het boek staat: “En toen kwam de ontsnapte, criminele Barbapapa…” Ik ben benieuwd wat Lou er aan overhoudt…

Licht uit, nog een liedje. Slaap kindje slaap is mijn voorkeur, zij kiest voor groen is gras. Als we het dan toch over vreemde teksten hebben, dan mag deze zeker niet ontbreken. De koekoek op het dak…

De kamer uit. Klaar? Nee. Nu begint het tijd-rekken-ritueel. De trap loop ik inmiddels al niet meer af, want halverwege zou ik haar al horen roepen: “Papa? Water drinken” Ik heb ongeveer net genoeg tijd om naar de badkamer te gaan om een glas water te halen. Ze drinkt een klein slokje en gaat weer liggen. “En nu gaan we slapen, he? Welterusten.”

Water geven voordat ik de kamer uitga heb ik uiteraard wel geprobeerd, naar dat werkt niet. Soms doet ze alsof ze de vraag niet gehoord heeft, soms antwoord ze met een klein stemmetje “Nog niet”. Een zweem van verwijt ligt er dan in haar stem: papa moet zich aan de regels houden. Dus doen we het zo, elke avond weer.

Ook nu ga ik nog niet naar beneden, maar ga in de kamer ernaast zitten. Als ze echt moe is, houdt het hier mee op, maar dat gebeurt eigenlijk maar zelden. “Papa? Boekjes!” Uiteraard, boekjes. Hoe had papa zo dom kunnen zijn om niet een stapel boekjes in bed te leggen? Want ja, slapen zonder boekjes, wie bedenkt het… Als ik binnenloop liggen er verdacht veel boekjes naast haar bed, net alsof iemand allemaal boekjes uit het bed heeft gegooid… Boekjes worden opgestapeld en weer in bed gelegd. “En nu gaan we slapen, he?”, met iets meer dreiging in mijn stem.


Ze heeft er nog een, weet ik. “Papa? Billen!” Deze gebruikt ze alleen als ze echt nog geen zin heeft om te slapen. “Wat is er met je billen?, vraag ik, als ik de kamer weer binnenkom. Het antwoord ken ik uiteraard al: “Papa, mijn billen zitten verkeerd!” meldt ze jammerend. Vaag kan ik me herinneren dat haar luier een keer verkeerd zat en dat dat bij haar benen pijn deed, maar zelfs ik weet niet meer helemaal hoe het zat. Net een stuk DNA dat allang nutteloos is geworden, voor altijd in het avondritueel verankerd. Veel hoef ik niet te doen; haar billen eens goed door elkaar schudden en ze is klaar. Echt verkeerd zitten haar billen zelden…

En dan, na haar nog dreigender welterusten te hebben gewenst, sluip ik de trap af, om orde in wat chaos te scheppen.

-------

Hoe lang ‘voor altijd’ duurt in een kinderleven blijkt maar weer eens. Twee weken geleden heb ik bovenstaande geschreven en inmiddels zijn de ‘verkeerde billen’ volledig uit het repetoire geschrapt. Overbodig geworden. Vervangen. Door ‘ik moet plassen, papa’. Strikt genomen valt ook deze bewering in de categorie verkeerde billen, want na drie keer in het laatste kwartier op de wc gezeten te hebben, komt er echt geen druppel meer uit. Maar dat maakt niet uit: dat ze nu zonder luier naar bed gaat is ons veel waard. Keurig voor het behalen van haar 1000ste levensdag is Lou zindelijk! Het laatste pak luiers is gekocht en na ruim negen jaar luier-dienst sluiten we dat tijdperk nu eindelijk af: een van de weinige zaken waar ik later geen heimwee naar zal krijgen, vermoed ik zo.

Het is dat ik een maandje niet drink, maar anders was ik geheid stevig dronken geworden…

Kinderfeestjes

Img_1724

Vorige week zondag vierden we dan toch eindelijk het kinderfeestje van Oskar, onze zoon. Weliswaar was hij al bijna een volle maand negen, maar de afgelopen maand was wat rommelig. Op de dag van zijn verjaardag zou zijn moeder eigenlijk nog in het ziekenhuis liggen, dus het familiefeestje werd niet gevierd: dat zijn moeder na slechts een nacht in het ziekenhuis toch weer thuis was, was het feest waar hij het mee moest doen. Vervolgens werd hij twee weken ziek, kwam Sinterklaas naar Amsterdam en fietste er zo nog eens wat tussendoor.

Maar toen was het dan toch zo ver. Met acht kinderen naar een koud lasergame hok. Twee keer een kwartier schieten, schreeuwen, sluipen en joelen. Tussendoor wat laffe poffertjes en een glaasje prik, af te halen bij de twee heren die waarschijnlijk beter als conciërges bij een buurtcentrum uit de verf zouden komen, dan bij een kinderrijke activiteit als lasergamen. Na 45 minuten was ik 160 euro lichter en 8 uitgelaten kinderen rijker. De rest van de middag vulden we in met stop-dansen, looney tunes kijken, een kleine in house speurtocht (uitgezet door zijn zevenjarige zusje), tikkertje spelen en broodjes knakworst eten.

Prima dag. Oskar ging die avond tevreden slapen.

En voor ons? Ook wij hebben een prima dag gehad: ik heb eindelijk eens een verjaardag gehad waarbij ik niet de hele tijd kinderkoppies heb lopen tellen. Maar het voelde toch ook een beetje alsof we een verplicht nummer hadden afgedraaid. Uiteraard hebben we de dag van zijn verjaren bewust meegemaakt, en heb ik teruggedacht aan de negen jaar daarvoor, maar echt goed is het toch niet gelukt; zieke kinderen, kreupele moeder, dat soort werk. Je viert zo’n feest alsof dit nog jaren zo doorgaat. Kinderfeest, na kinderfeest, na kinderfeest. In januari is de volgende…

Maar zo is het natuurlijk niet. Zelfs bij ons is het aantal kinderfeesten eindig. En voor Oskar begint de tijd langzaam maar zeker te dringen.

Negen.

Zoals hij de afgelopen negen jaar bij ons was, zo zal het de komende negen jaar zeker niet meer zijn. Over negen jaar mag hij stemmen, autorijden en de deur achter zijn kont dichttrekken, als hij daar zin in zou hebben. Dan scheert hij zich. Hoop ik dan toch. Tilt hij zijn moeder op en niet meer andersom. Dan mag hij officieel bier drinken en gaat hij op wereldreis. Rommelt hij met meisjes. Of jongens, als ik de laatste klassefoto zo eens bekijk…

En over negen jaar vraag ik me af waarom ik zo weinig stil gestaan heb bij het feit dat hij elk jaar ouder is geworden. Waar die kerel opeens vandaan gekomen is. En ja, dan heb ik heimwee naar de tijd dat ik geen nacht rustig door kon slapen en elke dag om zes uur wakker was…

Uiteraard betekent het niet dat hij morgen opeens weg is; we hebben nog een paar jaar te gaan. Tot nu toe is hij nog gewoon ons jochie, die met tijd en wijle op schoot klimt en die het geen probleem vindt om met zijn drie zussen in bad te zitten.

Maar toch…

Img_0942

Kroeken

Img_1891

“Het is gheel waarskijnlijk dat u hier vier dagen blijft. U moet namelijk ook nog met die kroeken leren lopen...”. We zitten in een kamer op de achtste verdieping van het ziekenhuis en worden door een verpleegkundige op de hoogte gesteld van het reilen en zeilen op de afdeling. De kinderen hangen en zitten braaf op stoeltjes en kijken wijs voor zich uit. De zuster, origineel ergens ten Oosten van Leipzig geboren, vertelt haar verhaal en stelt wat vragen. Of er thuiszorg geregeld is. Mijn vriendin verwijst naar mij. Wie de wondzorg op zich neemt. Ik ben de gelukkige. Of er vervoer geregeld is als ze uit het ziekenhuis mag. Dat is mijn taak. Bij elk antwoord zie je de wenkbrauwen van de zuster net iets je verder omhoog gaan. Een man, alleen, met drie kinderen en een vrouw op krukken? Bij de melding dat het er eigenlijk vier zijn en dat die vierde de borst krijgt, bereiken de wenkbrauwen de hoogste stand.

We hebben haar met z’n allen (min de vierde) naar het ziekenhuis gebracht. Met de bakfiets. In de bakfiets, om precies te zijn. Ze wilde niet dat ik met haar fiets aan de hand op de bakfiets terug zou fietsen, en voor de tram was het eigenlijk al wat laat. Bovendien, wegbrengen doe je met zijn allen. En bij gebrek aan auto heb je vervolgens niet zo heel veel opties over.

Mijn vriendin heeft een aandoening aan de knie. Sydny Blablablinos Pigmentos, of iets van die orde. Waar het op neerkomt is dat er een goedaardig gezwel moet worden weggehaald bij haar knie. De operatie is op zich niet heel ingewikkeld, maar de aandoening is wel redelijk bijzonder en er moet dus zelfs een specialist van buiten het ziekenhuis komen om te helpen assisteren.

Mijn vriendin heeft nog nooit een operatie meegemaakt, dus die vindt het allemaal maar niets. Niet dat wij er nou zo blij mee zijn, maar die operatie, dat geloof ik eigenlijk wel. Het venijn zit hem in het staartje: zes weken kroeken. Hoe kom je de trap op? Hoe breng je je je tweejarige dochter naar de kresj? Het gezegde gaat toch zeker niet voor niets ‘kinderwagens en kroeken, da’s problemen zoeken’?

Kortom, het wordt even aanpoten hier de komende weken.

Kinderboekenweek

Img_1588

Toen de realiteit van de komst van een vierde kind eindelijk tot ons was doorgedrongen, kwam ook het besef dat die laatste kruimel nog ergens weggemoffeld moest worden. Ruim woonden we niet, of althans niet volgens de moderne maatstaven: zonder de balkon alles bij elkaar 94 vierkante meter. Het balkon viel als optie af.

Verhuizen werd even besproken, maar het was 2009, de financiële wereld stond in vuur en vlam en ook mijn baan was daarbij gesneuveld: @wrekloos was geboren. Nou kon je buiten Amsterdam veel meer oppervlakte krijgen voor hetzelfde geld, dus we hadden ons huis kunnen verkopen, maar waar naar toe? Geen flauw idee waar mijn volgende baan zou zijn, als er überhaupt nog een volgende baan zou komen: de vooruitzichten waren slecht. Niet bepaald het moment om grote verhuisbeslissing te nemen.

Nou kom je met drie slaapkamers een heel eind. Wij verruilde onze riante, grote slaapkamer voor het kleiner hok, zodat de drie oudste in de nieuwe kinderkamer kwamen te liggen: de kinderkamer was voor het nieuwste exemplaar. Het was even slikken: van de ruime kamer waar de balkondeur opende naar de stille achtertuin, naar het kleinere kamertje, net groot genoeg voor het bed en een raam dat naar de straatkant opende. Ik kan me de eerste nacht in het nieuwe kamertje nog levendig voor de geest halen: alsof je in een Grieks hotel was beland. Het was zomer, benauwd en het raam openen leverde wel rumoer maar nauwelijks verkoeling op. Bij het uit bed stappen moest je rekening houden met de muur.

Maar met slapen ben je er nog niet: ook deze vierde zou weer eigen kleren, boeken en spelletjes meebrengen. Ruimte moest er komen. Er werd gesproken over het bouwen van een verhoging in de huiskamer om zo extra opslagruimte te creëren, maar dat plan sneuvelde op de tekentafel. Er werd uiteindelijk gekozen voor een meer praktische oplossing: de boekenkast moest leeg. De doelstelling was dat minimaal de helft van de boeken weg moest.

Gemakkelijk viel het me niet. Weliswaar was de kans dat ik (ook maar een deel van) deze boeken ooit nog zou lezen klein, maar toch. Boeken, gekocht in tweedehands boekenzaken in de buurt van de Damstraat, opgeduikeld in vage boekenwinkeltjes in Brighton, gekregen voor lang vervlogen verjaardagen. Vergeelde kaften. Boeken waarvan je bij het zien van de voorkant al herinnerde dat je ze tijdens een skivakantie had gelezen, of in het vliegtuig terug vanuit NewYork. Bovendien achterin allemaal voorzien van een korte recensie, want dat had ik sinds mijn studententijd al gedaan.

Diep ademhalen en niet te lang bij stilstaan.

Juist die aantekeningen maakte het ook weer makkelijk voor me. Ik hoefde slechts naar de laatste bladzijde te bladeren en kon precies zien wat ik van het boek vond. Bijkomend voordeel: ik bleek een kritische brombeer. Slechts 1 op de 10 boeken werd van een positief commentaar voorzien, de ander 9 werden figuurlijk naar de prullenbak verwezen. En als ik al ooit aan toe zou komen, hoe groot zou de kans zijn dat ik dan zo’n boek van Cees Nootenboom zou herlezen:

Img_0715

Waarbij De Meester uiteraard voor een denkbeeldige leraar stond, niet voor iemand die zelf naast zijn schoenen liep. Of deze, van een inmiddels anonieme auteur?

Img_0716

Al met al ging het me aan mijn hart, maar was de boekenkast tegen de tijd dat ik klaar was voor driekwart leeg. Lou kwam, we schikten allemaal in en wij leerden slapen in onze nieuwe slaapkamer.

De ruimte in de boekenkast vulde zich sneller dan gedacht. Niet alleen met dozen vol lego en My Little Pony’s, maar ook de bibliotheek nam weer snel in omvang toe. Niet met grote mensenboeken –met vier kinderen kom je nauwelijks aan lezen toe, of anders flikker je wel in slaap als je het toch probeert-, maar voornamelijk met kinderboeken. De hele serie van de Grijze Jager, diverse dino-naslagwerken, Roald Dahls, Narnia, Annie M.G. Schmidts, Geronimo Stilton: bij elke verjaardag en bij elke gulle bui van de ouders kwamen er al snel weer drie, vier boeken bij. Zelfs regelmatig bezoek aan de bibliotheek kon de aanwas van nieuwe boeken niet indammen.

Bij deze kinderboekenweek besloten we de kraan dus maar weer eens dicht te draaien. Iedereen mocht een nieuw boek uitzoeken in de winkel, maar moest daarvoor eerst een boek uitzoeken dat naar de kringloopwinkel of de kresj kon worden gebracht. Elk kind reageerde anders op dit nieuws. Charlie van vier pakte het allerdunste boek uit de kast, keek het nog een keertje aandachtig door en sloot het af. Oskar, de oudste van acht, stapte naar de kast, pakte er een willekeurig boek uit en gooide dat op dat van Charlie.

Het zwaarst kwam het nieuws aan bij Mae, die al heel zuinig naar het door Charlie uitgekozen boek had gekeken, maar bijna in tranen uitbarstte over het onverschillige gedrag van Oskar ten aanzien van zijn boek. “Niet die!” riep ze verschrikt, om het boek vervolgens van de grond te pakken en tegen haar borst te drukken. Oskar haalde nog een keer zijn schouders op en stapte weer naar de boekenkast...

Mijn vriendin voelde de bui al hangen en greep in. “Deze lezen jullie volgens mij nooit meer.” zei ze, een blokboekje uit de kast vissend. Niet bepaald het dikste boek, dus qua ruimte was het geen topper, maar goed, het zag er uit als een redelijk anoniem boek, dat ik bij mijn weten zelfs nooit had voorgelezen. “Die is leuk!” riep Charlie echter enthousiast uit en griste het boek uit de handen van mijn vriendin. En zo waren we nog wel even bezig.

Pas na een kwartier en 40 boeken later was Mae er uit. “Deze”, zei ze en bekeek het boek nog eens van alle kanten; ik dacht haar zelfs even te zien snuffelen. “Weet je het zeker?” vroeg ik dus. “Ja,” zei ze beslist. Ze keek ernstig, maar opeens brak er een glimlach door. “En die geef ik dan... aan Lou.” zei ze met een grijns.

Ps. Mocht je in een tweedehands boekenzaak ooit een boek met op de achterste pagina een recensie van ene lukas tegenkomen: kopen. Collectors item.

Liegtuigen pakken

Img_8918

Kraaiend zit ze in het stoeltje voor mij op de fiets. Blonde haren, grote kop. Ik steek mijn hand naar voren, hoog in de lucht en doe alsof ik iets uit de lucht pak. Een lach rolt uit dat kleine blokje mens en ook zij steekt haar armen omhoog. Vader en dochter op weg naar huis.

“Hoor je dat?”, vroeg ze een minuutje geleden. Lou, nu 22 maanden oud, hoort veel. Geluiden die wij allang als normaal en als achtergrondgeruis beschouwen hoort zij nog heel bewust. Vogels, de blaffende honden van de bovenburen, piepende trams. Juist omdat het zulke bekende geluiden zijn, moet je je weer even concentreren om te horen wat zij bedoelt. “Hoor je dat?” Soms hoor je het gewoon echt niet, waarschijnlijk omdat het geluid dan al weer weg is. Als je dan zegt dat je het niet hoort, luistert ze nog eens goed. Hoort ze het zelf ook niet meer, dan kan ze haar armen in de lucht steken en verbaasd “kandatnou?” zeggen. Inmiddels is Lou al net zo’n kletskop als haar zusjes geworden…

Nou hoorde ik in dit geval heel duidelijk wat ze bedoelde. Een vliegtuig, achter de dreigend donker wolken, op weg naar een landingsbaan. “Dat is een vliegtuig” zei ik, zo duidelijk mogelijk articulerend. “Liegtuig”, klinkt het als een echo. Ik kan haar gezicht niet zien, maar ik weet dat ze nu ernstig kijkt. Een nieuw woord, op zoek naar een plaats in die hersens. Serious business, daar moet je even de tijd voor nemen. Liegtuig krijgt een plaatsje tussen de honden en de vogels.

“Waar’s liegtuig dan?” vraagt ze en kijkt omhoog. Ook ik kijk omhoog. Er zijn wel wat blauwe stukjes, maar wit en donkergrijs overheersen. Ik hoor de vliegrichting, volg het spoor en zie dat er alleen maar wolken te zien zijn. “ Die kunnen we niet zien, die zit achter de wolken” en als ik me bedenk dat ze misschien niet weet wat achter is voeg ik daar aan “Boven de wolken” aan toe. Associaties met Sesamstraat komen bovendrijven. Ik wijs naar de wolken om te laten zien wat wolken zijn.

Wolken maken geen geluid, dus dat boeit Lou niet echt. Mijn hand daarentegen vindt ze wel interessant. “Liegtuig pakken?” vraagt ze, niet begrijpend dat ik naar het vliegtuig wijs. “Ik zal eens kijken”, zeg ik en strek mijn hand wat verder uit in een poging het vliegtuig te pakken. Ik graai in de lucht en zeg “Nee. Ik kan er net niet bij” Lou laat een vette grinnik horen en graait nu zelf ook in de lucht. “Liegtuig pakken!” Ik doe nog een poging, graai en vang mis.

Schaterend rijden we de straat uit. Vader en dochter op weg naar huis.

Jong verliefd...

Img_8943

“Mam, toen jij een klein meisje was, ben je toen ook verliefd geweest?’ Het is avond, we zijn druk bezig de maaltijd op tafel te krijgen en Mae (6) vraagt zich af of dat vroeger ook al gebeurde, verliefd worden. “Eens even denken”, zegt mijn vriendin terwijl ze borden op tafel zet. “Was je verliefd op papa?” vraagt Charlie (4), die duidelijk geen geduld heeft om haar moeder even te laten denken. “Nee,” zegt mijn vriendin “ die kende ik toen nog niet.” Lou (1 plus veel te veel maanden) heeft inmiddels haar lepel gepakt en begint vrolijk in haar bakje te rammelen, zodat we het antwoord van Elisa even niet kunnen horen. Pas als ik Lou haar lepel heb afgepakt in ruil voor een wortel kunnen we horen wat ze zegt. “Ja, ik was vroeger verliefd op Quintin”, herinnert ze zich.

“Oh, die hebben we ook op school zitten”, zegt Mae. Het klinkt verrast en ook een beetje teleurgesteld: alsof ze zich voorstelt dat haar moeder verliefd is op dat minder ontwikkelde exemplaar bij haar op school. “Zou het soms dezelfde Quintin zijn als die van je moeder?” vraag ik terwijl ik een dampende pan op tafel zet. “Nee joh,” zegt Mae verontwaardigd, “dat is nog een kleine jongen die bij mij op school zit”.

Dat daar dus geen twijfel over bestaat.

“En was jíj verliefd als jongen?” vraagt Oskar, die het ook wel een interessant onderwerp vindt. Ook ik moet even denken. “Ja,” bedenk ik me, “Ik was verliefd op Natascha, een buurmeisje.”

Natascha. Strikt genomen was ze niet echt een buurmeisje, ze woonde om de hoek en aan de overkant van de straat. Veel kan ik me er eigenlijk niet van herinneren. Ze had zwart haar. Grote ogen. Ze was klein van stuk. En ze kwam nooit naar buiten als ik zuchtend op de stoep zat te wachten. Ook niet als ik heel diep zuchtte.

Terwijl ik zo terugdenk valt me vooral hoe weinig ik weet. Volgens mij zat ze bij mij op school, maar misschien ook wel niet. En heette ze niet Schwartsch? Typisch zo’n naam die je op 20 duizend manieren kan googlen, als je daar al zin in zou hebben. Ik kan me vaag herinneren dat ze op een goed moment verhuisd is, maar een roerend afscheid en een gebroken hart kan ik me niet meer voor de geest halen. Alleen dat zuchten op die stoep staat me nog bij.

“Was ze bruin?” vraagt Oskar. Bruin? Ik ben even verrast over de wending die het gesprek neemt. Waarschijnlijk heeft Oskar een Surinaamse Natascha op school zitten, bedenk ik me. “Nee,” antwoord ik “ze was Joods”. Het is even stil terwijl Oskar het antwoord tot zich neemt. “Ah,” zegt hij, “maar dan is ze dus wel een beetje bruin.” “Nee hoor,” zeg ik terwijl ik Lou haar wortel van de grond vis, “ze had zwart haar, maar was verder gewoon blank” Oskar houdt vol. “Ik bedoel niet zwart, maar gewoon zoals Soundous en Maryam, bruin. Turks. Marokkaans.” “Maryam is niet Marokkaans, die komt uit Egypte”, corrigeert mijn vriendin Oskar. En zo verwatert het gesprek over wie waar vandaan komt uit de klas van Oskar.

Als de hele klas van Oskar is uitgespit besluit ik nog even terug te komen op het onderwerp. Dat Oskar het idee heeft dat Joodse Natascha’s donker moeten zijn, klopt gewoon niet. “Op zich heb je wel donkergekleurde Joden, maar de meerderheid is gewoon blank, net zoals wij.” zeg ik hem. Oskar kijkt me ongelovig aan. Natascha = bruin, zie ik hem denken. En: papa = de weg kwijt. “En ze was dus niet Marokkaans of Turks, ze was jóóds” zeg ik dus met wat extra nadruk.

Charlie, die tot nu toe wat met haar eten heeft zitten spelen laat plots haar lepel kletterend op haar bord vallen. Met grote verschrikte ogen kijkt ze me aan en roept geschrokken “Was ze dood???”

Al met al hebben mijn kinderen nu een heel vreemd beeld van mijn eerste kalverliefde…

t.k.a.z.g.a.n: de Bugaboo Classic

0022_2

De Bugaboo. Gekocht, ergens in de zomer van 2002. Viavia. Van een truck gevallen, zoals dat heet, bij een man die er een ’stuk of wat bij een inboedel op de kop had getikt’. Sure. Voor 400 euro, als ik me niet vergis, waar hij in de winkel 675 euro kostte. Het nieuwere model was toen al uit, dus het was er nog één zonder handrem. Een classic, niets minder. Bovendien –zo waren mijn vriendin en ik het al snel eens- waar heb je in godsnaam een handrem voor nodig op een kinderwagen? Een handrem van 275 euro?

Uiteraard was het een aankoop zwanger van verwachtingen. Dat er eens een kind in zou komen te liggen, bijvoorbeeld. Eén? Ach wat, misschien wel drie, als het met die eerste beviel! Alles was nog nieuw: de kinderkamer net geverfd, geen luier ooit verschoond, geen weekend voor 9 uur ons bed uit. Vriendin met een dikke toeter toekijkend hoe ik het ding voor het eerst in elkaar probeerde te schuiven.

Wonder der techniek, was het. Alles kon je uitklappen, lostrekken, opvouwen en weer in elkaar schroeven. Kostte wel even voordat je het onder de knie had: de bus was tegen die tijd meestal al weer vertrokken. Maar goed, na voldoende training konden we hem ook meenemen naar het vliegtuig, waar we al snel ontdekten dat we hem ook voorbij de gate mochten meenemen. Achter de check-in gebruikte we hem dan als laadbak: handbagage, kinderen, aankopen, kleren: alles werd op de bugaboo geknald. En dan bij het vliegtuig altijd die lichte paniek dat al die troep toch weer gewoon ter hand moest worden genomen…

De laatste redding, bleek hij in veel gevallen te zijn. Als een kind weer eens weigerde te gaan slapen, dan werd hij in geval van nood in de kinderwagen gestopt en vertrok een ouder naar buiten voor een blokje om. Zo kan ik me levendig herinneren dat ik om vier uur ‘s nachts door een slapend Chang Mai liep met een huilende Mae, nagestaard door verbaasde Thailanders. Overigens was dat niet met de Bugaboo, die hadden we in verband met overgewicht thuisgelaten, maar alleen een pietlut die daar over gaat zeuren.

Het was eigenlijk ook het begin van Umpalumpa, bedenk ik me nu. Mijn vriendin had een babyrammelaarketting speciaal ervoor gemaakt. Om onze Bugaboo enig onderscheidend vermogen te geven van al die andere Bugaboo’s. Want iederéén liep op een goed moment met zo’n ding, al helemaal na de uitzending van Sex and the City. Overigens was hij bij ons na een kind of twee sowieso al uniek. Met een 'nieuwe' aankoop op het Waterlooplein werd onze blauwe Bugaboo rood-blauw.

Maar goed, waar het allemaal om draait:

Te Koop Aangeboden. Zo goed als nieuw. Bijna niet gebruikt. Slechts 1 lekke band. Voor een zacht prijsje. Bugaboo, Classic: mooier is hij daarna niet meer gemaakt. Mooi blauw, met rode kap. Piept een beetje door de zware sneeuwdiensten die hij achter zich heeft liggen…

0026

En als we dan toch bezig zijn, kan ik ook gelijk het requiem schrijven voor 15 katoenen hydrofiel luiers, 8 enigszins verschoten (en gekrompen) Rupsje-Nooitgenoeg slabbetjes, de box die inmiddels al weer enige tijd staat te vermolmen op het balkon, het badkuipje waarmee 1 jarigen in bad kunnen zitten, 

Kikker knisperboekjes.

Zuigflessen. (met BPA).

Speentjes.

Iemand?